Af en toe lopen er in de tuin ook rare snuiters rond. Letterlijk. Het zijn snuitkevers. Je gelooft je ogen niet... Er zijn er trouwens wel meer die een rare snoet hebben. Zoals de grasmotjes. Zij lijken altijd klaar te staan om te poetsen. Alle tuinmannen hebben wel iets bijzonders in zich. Of op zich. Zoals de tuinslakken met hun prachtige huisjes. Net kunst. Maar het is niet overal peis en vree in de tuin. Zeker niet waar de tijgerspinnen in het lange gras op de loer liggen...
Al vroeg in de lente kwam een klein, wit vlindertje me in de tuin goeiendag zeggen. Het had zich getooid met twee feloranje vleugeltippen. Niet te verwonderen dat deze tuinman 'oranjetipje' heet... Alleen de mannetjes hebben die oranje tippen. Ook als ze hun 'bladzijden' dichtvouwen, zijn deze tuinmannen prachtig. Groengrijs gemarmerd. Het vrouwtje legt op elke plant slechts één eitje. Dat is goed gezien. Zo heeft de rups die eruit komt, voldoende te eten. En als ze dik genoeg is en bijna klaar is om een vlinder te worden, kruipt ze naar de bosrand en verstopt er zich tussen de planten. Daar verpopt de rups en wordt een mooie vlinder. En aan diezelfde bosrand zoeken de mannetjes en de vrouwtjes elkaar op. Om... Je weet wel... Romantisch!
Er zijn ook tuinmannen die helemaal geen ijs nodig hebben om te schaatsen. Ze doen het gewoon op het water. Nu ja, gewoon... Probeer het zelf maar niet. De schaatsenrijders kunnen het als de beste. Ze zakken er niet door. Ze zijn nochtans zwaarder dan het water. Waar hun poten het water raken, zie je kleine putjes. Er zijn zelfs schaatsenrijders die de open zee verkiezen. Daarmee zijn het de enige insecten die daar kunnen overleven. De schaatsenrijders zijn wantsen. Roofwantsen. Ze leven van andere insecten die zich in het water verslikken... Onderaan hun kop hebben ze een steeksnuit, waarmee ze in de prooien prikken en ze leegzuigen. De schaatsenrijders zijn al vaak door wetenschappers bestudeerd. Om te ontdekken hoe ze zo makkelijk op het water kunnen lopen.
Wat een rare snuiter! Net een mini-olifant! Het is een snuitkever. Dat is wel duidelijk... Het is de eikelboorder. Hij boort een klein gaatje in een jonge en nog groene eikel of een hazelnoot en legt er één of twee eitjes in. Het gaatje groeit weer dicht en in de herfst - verrassing! - kruipt er uit de noot een larve. Maar ondertussen heeft de dreumes wel de noot leeggegeten. Vreemd is ook hoe de antennes van deze tuinman haast halfweg op zijn snuit staan. En hoe mooi die antennes wel zijn. Toen ik de kever voor het eerst zag, moest ik aan de Muppetshow denken... Dit kereltje, euh kevertje, moet wel nog veel leren. Hij zat op een boshyacinth in plaats van op een eikel of hazelnoot.
Er zijn er in de tuin die altijd klaar zijn om te poetsen. Hun snuit is net een borstel. Ook dat zijn dus rare snuiters... Het zijn grasmotjes. Dat zijn nachtvlinders, maar ze vliegen toch overdag... Daarom noemt men ze ook wel lichtmotten. Grasmotjes zijn erg klein. Niet groter dan een grassprietje, waaraan ze zich vaak vastklampen. Dan zie je ze haast niet. Net een verdroogd sprietje gras. Er zijn heel veel verschillende soorten grasmotjes. Ze zijn heel moeilijk uit elkaar te houden. Je zou ze moeten vangen en de tekening op hun vleugels vergelijken. De blauwogige grasmot is wel heel mooi om te zien. Met die blauwe ogen en die borstel.
Opgelet: dit is niet voor gevoelige lezers... Je bent dus gewaarschuwd! Het gaat over de tijgerspin. Dat is een tuinman die zich meestal in het hoge gras ophoudt. Hij (of zij) weeft er een groot web, dat je goed herkent aan een brede, witte zigzagsteek middenin het web. De felgekleurde en grote tijgerspinnen zijn de vrouwtjes. Het web van de tijgerspin is een echt vangnet. Voor sprinkhanen die ook in het hoge gras leven. Op een dag zag ik het gebeuren: er sprong een sprinkhaan pardoes in het net. Nog geen seconde later flitste de tijgerspin tevoorschijn en spon de spartelende sprinkhaan in enkele seconden helemaal in. Het zal je maar overkomen...
De groene cicade lijkt wel een springveertje in het gras. Soms zitten er tientallen bijeen. Als je door het gras stapt, springen ze alle kanten uit. Groene springveertjes. Cicades zijn vreemde tuinmannen. Ze zien er, vind ik, nogal ouderwets uit. Alsof het dieren van heel lang geleden zijn. Ze hebben een zuigmondje, waarmee ze sap uit planten zuigen. Ze hebben ook vleugels, maar eigenlijk kunnen ze niet zo goed vliegen. Ze vliegen er nauwelijks enkele meters ver mee. Ze gebruiken hun vleugels meestal alleen maar als een hulpmiddel bij het springen. Om nog verder te komen.
Dit is de tuinslak. De gewone tuinslak. Er is ook de witgerande tuinslak. Die lijkt precies op de gewone tuinslak, maar het randje aan de uitgang van de schelp is wit in plaats van bruin. Tuinslakken hebben heel mooie huisjes. Ze kunnen veel kleuren hebben. Van geel over rood tot bruin. Op de schelp kunnen één tot vijf banden voorkomen. Deze hier heeft er dus drie. De tuinslak is de meest voorkomende slak in onze streken. Wist je trouwens dat er op de tong van een slak wel 100 000 scherpe tandjes zitten? Daarmee schraapt de slak stukjes van bladeren. Zo'n speciale tong wordt 'radula' genoemd. Niet echt geschikt voor een tongzoen...