Gedaan met de draagbare mp3-spelers. Weg met de cd-players die je overal moet meezeulen. Voortaan komt de muziek vanzelf uit je jas of je joggingpak. Enkele kledijfabrikanten brachten jassen op de markt waarin muziekspelers zijn verwerkt. De knopjes voor het starten en stiller of harder zetten, zitten in de mouw (of onderaan het joggingpak) en in de kraag zitten oortelefoontjes om de muziek te horen. In sommige pakken zit in de kraag ook een microfoontje. Zoals bij de mevrouw op de foto hiernaast. Dat microfoontje kan op een draadloze manier worden verbonden met je gsm in je zak en op die manier kun je met de jas ook telefoneren... De batterij opladen (goed voor acht uur muziek) en muziek in je mouw stoppen, doe je door een soort computertje uit de mouw te schuiven en met je computer te verbinden. Zo kun je er muziek op downloaden en opnieuw in je mouw stoppen. Ook bij het wassen niet vergeten uit te halen! Cool, maar wel duur... Zo'n 600 euro voor een dikke jas.
Om het hoogst en om het verst,
om het snelst en om het hardst,
om het meest en om het minst.
En natuurlijk om het winst.
En wie net niet won,
is verdrietig.
Omdat hij of zij
net
niet beter kon.
Voor wat brons, wat zilver
of een plakje goud,
verkoopt m'n duur
z'n vel.
Zijn de Spelen nog een spel?
Gedicht: Geert De Kockere
Terwijl in Athene de echte Olympische Spelen plaatshadden, waren er in het Museum voor Natuurwetenschappen (Vautierstraat 29 in Brussel) 'Olympische Spelen bij de dieren'. Nog tot 26 september kan je je er zelf meten met de dieren. Het is een sportieve tentoonstelling waarin je loopt, springt, kruipt,... Tegen de dieren. Want de dieren zijn echte atleten. Elk met hun eigen talent. Op een piste van 25 meter loop je tegen een jachtluipaard, een struisvogel, een zebra en een slak. Op een 14 meter lang tapijt spring je samen met een vlo, een kangoeroe, een boomkikker, een impala en een nijlpaard. Er is ook een schietstand, een zwemwedstrijd en een soort zoektocht. Aan het eind ontmoet je de ideale atleet: de kangoehaailuipaardvisleon... Overal krijg je ook korte tekstjes om de kwaliteiten van de verschillende dieren beter te begrijpen. Een boeiende tentoonstelling over mens en dier, spieren en botten.
Net zoals bij de Olympische Spelen bij de mensen worden er bij de dieren
ook records gebroken...
Het jachtluipaard is het snelste landdier.
Hij haalt 120 km per uur. De grijze reuzenkangoeroe is de springkampioen
onder de dieren. Met zijn krachtige achterpoten springt hij in
één keer 12 meter ver. Een vlo springt 'maar' 20 tot 30 cm ver.
Maar dat is wel 30 tot 200 keer de eigen lichaamslengte... De kameleon
kan schieten. Tegen 100 km per uur schiet hij zijn tong naar een prooi. En
haast altijd in de roos. De prooi blijft dan aan het kleverige uiteinde van de
tong plakken. Het gehemelte en de tong van de schuttervis vormen samen
een soort kanonnetje. Daarmee schiet hij met waterdruppels naar prooien boven
het water en doet ze in het water neerstorten. De zwaardvis is dan weer
de snelste zwemmer. Hij haalt bijna 130 km per uur. En ook in het duiken is hij
een krak. Hij duikt tot 800 meter onder water om een school vissen te volgen.
En dit zonder duikerspak... De rotsduif is de beste in oriëntatie
(weten waar je bent). Ze is ook een uitstekend langeafstandsvlieger. In 1931
legde een reisduif in 7 dagen maar liefst 11 275 km af...
Wedstrijdduiven die naar huis vliegen, stoppen zelfs niet eens om te drinken.
Ze vliegen met hun bek open laag over het wateroppervlak. De zalm heeft
de fijnste neus en de duizendpoot een olifantengeheugen: hij onthoudt
het aantal stappen dat hij in elke richting zet. Doe hen dat maar eens allemaal
na!
Aan een tafel zat een man. De tafel was leeg. Bijna leeg. Er lagen alleen twee handen op. Twee knoestige handen. Het waren de handen van een werker. Bruggen hadden ze gebouwd. Heel veel bruggen. Bruggen over rivieren en bruggen over ravijnen. Bruggen tussen bergen en bruggen tussen mensen. Mensen van de ene kant en mensen van de andere kant. Zodat ze bij elkaar konden komen. Om elkaar te begroeten. En om elkaar de handen te schudden. Soms werden de bruggen opgeblazen. Omdat de mensen van de ene kant de mensen van de andere kant geen hand meer wilden geven. Of omdat de mensen van de andere kant vreesden dat de mensen van de ene kant met kwade handen zouden komen.
Knoesten van handen waren het. Gezaagd en gevijld hadden ze. Geklopt en geschaafd. Getimmerd en geschuurd. Gesjouwd en gesjord. Aan de brug over de Mansjoerivier. Hoog en lang. En ver weg. Ze stond in zijn handen getekend. Of de brug over de Koleanderravijn. In zijn rechterhand zat een litteken. Een splinter had het opengereten. Het was haastig weer dichtgenaaid. Het litteken stond er als een slordige handtekening. Van iemand die het niet zo nauw met handen nam.
Hij was een groot bruggenbouwer. De allergrootste, zegden sommigen. Hij overbrugde alles. Geen rivier of ravijn was voor hem te breed. Geen volk te veraf. Geen twee vijanden te wreed voor elkaar. Tussen alles en iedereen sloeg hij een brug. Tientallen had hij er gebouwd. Hij was de tel kwijt. In het begin hield hij ze bij. Alle bruggen die hij bouwde, noteerde hij in een klein boekje. Maar in de loop der jaren werd het aantal minder belangrijk. Hij noteerde ze niet meer. Niet meer in het boekje. Ze stonden in het landschap genoteerd. Met stevige trekken. Trekken van zijn handen.
Leeg waren zijn handen, maar vol was zijn hoofd. Hij dacht aan alles wat hij nog moest overbruggen. Maar hij had genoeg bruggen gebouwd. Het was tijd voor iets anders. Vliegtuigen misschien. Van fijn hout. Om over alles heen te vliegen. Of huizen waarin je altijd welkom was. En waar het zoet rook naar ceder. Of speelgoed. Heel veel speelgoed. Of stoelen. Voor elke tafel ten minste vier. Stoelen die makkelijk zaten. Zodat de mensen er lang konden op blijven zitten. Zonder te moeten wiebelen. En zonder hun geduld te verliezen.
Zijn handen waren leeg, maar zijn hoofd was vol. En alles wat erin zat, moest eruit. De man bestelde hout en kocht nieuw gereedschap. Hij begon als een bezetene te werken. Hij bedolf zijn huis en zijn gedachten onder de houtkrullen. Slechts af en toe ruimde hij op. In zijn huis. En in zijn gedachten. Om beter te zien wat al was begonnen, maar nog niet af was.
Aan de overkant van de straat keek een man tegen een witte muur aan. Hij stak er in gedachten een deur in. Want hij was een deurenmaker. In alles wat recht en uit één stuk was, kapte hij gaten en stak er een deur in. Zo vanzelfsprekend, dat het leek alsof de deur er altijd al had gezeten. Honderden deuren had hij gemaakt en gestoken. Deuren die links opendraaiden en deuren die rechts opendraaiden. Deuren die vanzelf opengingen als je in de buurt kwam en deuren die kantelden als je er bovenaan tegen duwde. Alle soorten deuren had hij gemaakt en gestoken. Hij wist er geen andere meer te bedenken.
Hij was een fijn deurenmaker. De allerfijnste, zegden velen. Met zijn handen schaafde en schroefde hij. Tot de deur precies in het deurgat paste. Geen kiertje, geen tochtje. Alles haarfijn gepast. Maar hij had genoeg deuren gemaakt. Genoeg gaten gekapt. Het was tijd voor iets anders. Hij kocht vers hout en ging aan de slag.
Op een dag hebben ze elkaar gevonden. De bruggenbouwer en de deurenmaker. De deurenmaker had een grote kast gemaakt. Een kast met achteraan een deur erin. Een deur en een groot gat vooraan. Door de deur kon je in de kast naar binnen. Door het raam kon je naar buiten kijken. Of naar binnen. In de kast was plaats genoeg voor twee. Voor de deurenmaker en voor de bruggenbouwer. Want hij had poppen gemaakt. Heel veel poppen. Met een houten kop en een lap stof eraan. En heel veel touw. Ze gaven de poppen een stem en lieten ze kijken. Naar iedereen die ook de poppen wilde zien. Zodat je soms niet goed meer wist wie naar wie aan het kijken was. Ze lieten ze dansen en jansen. Tot de mensen ervan draaiden. Tot ze niet anders meer konden dan er voor in hun handen klappen. Dat vonden de deurenmaker en de bruggenbouwer geweldig. Toen ze deuren maakten en bruggen bouwden, klapte niemand in de handen. Ze maakten alleen maar opmerkingen. Over iets dat scheef zat. Dachten dat het scheef zat. Omdat ze zelf niet recht keken.
De bruggenbouwer zorgde er voor dat ze met hun kast en hun poppen overal geraakten. Hoe ver of hoe hoog ook. En de deurenmaker zorgde er voor dat ze overal binnengeraakten. Alle deuren gingen voor hem open. En waar er nog geen deur was, daar stak hij één. En overal waar ze kwamen, werden ze met open armen ontvangen. Want iedereen had gehoord van de bruggenbouwer en de deurenmaker. En van hun poppen die dansten en jansten. Tot de mensen ervan draaiden. En overal waar ze kwamen, klapten de mensen in hun handen.
Ze werden samen oud. De bruggenbouwer en de deurenmaker. Met hun poppen. En ze bleven dansen. En ze bleven jansen. Trager, maar even gracieus. Toen stak de deurenmaker onverwacht een deur in het leven en stapte naar buiten. De bruggenbouwer bleef alleen achter. Met zijn poppen. Maar ze dansten niet meer. En ze jansten niet meer. Ze waren hun ziel kwijt.
Aan een tafel zat een man. De tafel was leeg. Bijna leeg. Er lagen alleen twee handen op. Twee oude handen. Bruggen hadden ze gebouwd. Heel veel bruggen. En poppen hadden ze gemaakt. Mooie poppen. Ze hingen tegen de muur. Aan een haak. Hij keek er naar. Nog één keer liet hij ze dansen. Nog één keer mochten ze jansen. In zijn gedachten. Daarna kocht hij nieuw hout en werkte tot een eind in de nacht. Toen ging het licht uit in het huis van de bruggenbouwer.
De dag erna was het huis leeg. Het huis van de bruggenbouwer. De tafel was leeg. Helemaal leeg. De muur was leeg. Helemaal leeg. Er stak alleen nog een haak in. Een lege haak. In het huis van de bruggenbouwer. En niemand, niemand heeft hem daarna nog gezien.
Op 7 augustus werd in Griekenland de langste hangbrug ter wereld geopend. Ze is bijna drie kilometer lang. Bruggen hebben altijd tot de verbeelding gesproken. Soms was het niet eenvoudig om de ene oever met de andere te verbinden. Veel overbruggingen vormden voor ingenieurs dan ook een hele uitdaging en technische hoogstandjes. Anderen probeerden van een brug iets moois of uitzonderlijks te maken. Zoals de Akashi Kaikyo Bridge in Japan. Het is de langste brug ter wereld: 3 911 meter, waarvan 1 991 meter boven het water hangt.
Aan het eind van de 19de eeuw wilde men met de trein het midden van Frankrijk met het zuiden verbinden. Maar een grote vallei blokkeerde de doorgang. Jarenlang zochten ingenieurs naar een oplossing. Eén van de beste ingenieurs kwam uiteindelijk met een briljante oplossing. Gustave Eiffel (jawel, dezelfde die de Eiffeltoren bouwde!) bouwde in een recordtempo en met weinig materiaal een ijzeren boogconstructie over de vallei. In plaats van zware, dikke staven, gebruikte hij staven met gaten in de vorm van driekhoeken erin. Dikke staven zouden de brug te zwaar maken en gevaarlijk door de felle wind in de vallei. Bovendien kunnen de verschillende elementen lichtjes in elkaar schuiven, afhankelijk van de plaats waar de trein rijdt. Een sterk staaltje (letterlijk) van techniek: de Garabit Viaduct.
Tijdens de vakantie kregen we er een recordbrug bij: de Rion-Antirionbrug in Griekenland. De brug verbindt het vasteland met het schiereiland Peloponnesos. Het is een hangbrug. Dat wil zeggen dat het wegdek niet op pilonen rust, maar volledig aan stalen kabels is opgehangen. De kabels zelf hangen aan pilonen, waarvan de hoogste 160 meter hoog is. Echte reuzen dus. De brug is nu de langste hangbrug ter wereld. Ze is bijna 3 kilometer lang, waarvan 2 252 meter aan kabels hangt. Er is zeven jaar aan gewerkt.
In de staat Virginia in de Verenigde Staten is een 'brugtunnel' te bewonderen: Chesapeake Bay Bridge-Tunnel. Ingenieurs noemen het een technisch wonder. Op de brede rivier werden eerst enkele kunstmatige eilandjes aangelegd. Tussen de eilandjes werden bruggen gebouwd en ook een tunnel onder het water gegraven. Je rijdt dus deels over en deels onder het water. Het deel onder het water (de tunnel) was nodig om het drukke scheepsverkeer op de rivier niet te hinderen. Het is een bijzondere ervaring om op de brug over het water te rijden, plots in het water te duiken en er even verder weer uit te komen. Velen reden er al naartoe, gewoon om even over de brugtunnel te rijden. Niet omdat ze er moesten zijn. De brugtunnel werd al in 1964 gebouwd en gegraven.
De Tower Bridge is een prachtige en curieuze brug over de Theems in hartje Londen. Aan het eind van de 19de eeuw was de Britse hoofdstad zo gegroeid, dat er dagelijks files waren in de oude binnenstad. Er was maar één brug over de Theems en dus besloot men om er nog één te bouwen. Zowel auto's als voetgangers moesten er over kunnen en bovendien moest de brug ook open kunnen om boten op de Theems door te laten. De ingenieurs besloten daarom om een 'dubbelbrug' te bouwen. De onderste brug voor de wagens kan in 2 minuten open en dicht om schepen door te laten. De voetgangers kunnen via de prachtige torens een voetgangers- brug gebruiken.